Ervaringsverhalen

Hulp vragen in een situatie waarin je kinderen betrokken zijn kan soms moeilijk zijn. Dit begrijpen we. Stichting Ouders en Jeugdzorg heeft al veel ouders mogen helpen in verschillende lastige situaties. Lees hieronder enkele van hun ervaringen.

Een ouder meldde zich met de volgende hulpvraag: zijn ex-partner was bevallen van een zoon, maar zij ontkende dat cliënt de vader was. Vader was er echter zeker van dat hij dit wel was en wilde hulp bij zijn vraag om dit bevestigd te krijgen. Zijn voornaamste doel was om zijn zoon te kunnen zien

Met vader hebben we voorbereidingen getroffen voor een DNA-verwantschapsonderzoek, dit zou bij de rechter afgedwongen moeten worden. Nadat dit door de rechter was bekrachtigd kon het proces beginnen, maar dit heeft nogal wat voeten in de aarde gehad. Moeder weigerde elke vorm van medewerking. In dit proces was het zaak om vader te steunen en kalm te houden, “De rechter zegt toch?…” was een veelgehoorde uitspraak en natuurlijk ging het voor hem niet snel genoeg.

Nadat moeder tot drie keer toe was opgeroepen mee te werken aan dit onderzoek kwam vader onverrichterzake bij de rechter. Hier bleek dat het zoontje inmiddels uit huis was geplaatst en om die reden de oproep niet bij de juiste persoon was gekomen. Omdat vader officieel nog ‘niets’ was van zijn zoon kon hij geen informatie krijgen van de jeugdhulpverleners die betrokken waren bij de uithuisplaatsing. Zolang hij de vader officieel niet was kon er geen gesprek gevoerd worden, geen omgang plaatsvinden en zou vader geen rol spelen in het leven van zijn kind.

Na ruim anderhalf jaar, kwam het verlossende woord: hij was de vader! Hiermee was het proces nog niet gedaan, het begon immers pas: “Hoe zit het met erkenning, gezag, omgang?”. Na een nieuwe zitting is bepaald dat vader zijn zoon mag erkennen. Het gezag ligt inmiddels bij de GI en vader heeft besloten hier niets mee te doen: hij heeft immers ondertussen een omgangsregeling en kan een rol spelen in het leven van zijn zoon. Dat de moeilijke kwesties bekeken en besloten worden door een voogd vindt vader eigenlijk zelfs fijn.

Vader is ontzettend dankbaar dat wij hem hierin hebben geholpen en hij eindelijk de erkenning krijgt waar hij naar heeft gevraagd. Hij geniet nu tijdens de omgang van zijn vaderschap en ik zie de twinkeling in zijn ogen als we het over zijn zoon hebben.
Deze cliënt gaf aan dat hij het zonder onze hulp niet voor elkaar had gekregen om dit voor elkaar te krijgen: “Heel vaak heb ik gedacht om het bijltje er maar bij neer te gooien, het zou toch nooit lukken maar dankzij jullie steun heb ik het vol weten te houden”.

Een groot compliment is, hier doen we het uiteindelijk allemaal voor!

Een moeder vroeg ons haar te helpen met haar hulpvraag. Er was een machtiging uithuisplaatsing afgegeven maar door de vele wisselingen van jeugdzorgwerkers was deze niet uitgevoerd. De machtiging verliep en een nieuwe werd aangevraagd terwijl ouders in onzekerheid zaten of de kinderen uit huis gehaald zouden worden en/of wanneer.

Door alle wisselingen hadden ouders het vertrouwen opgezegd in de hulpverlening en was de samenwerking ernstig bekoeld. Tevens ontstond er een conflict tussen moeder en de huidige jeugdzorgwerker. Nadat de tweede machtiging uithuisplaatsing bijna verlopen was, werd geprobeerd deze op het allerlaatste moment alsnog uit te voeren, ware het niet dat de kinderen niet thuis waren. Moeder belde mij overstuur op en stelde de kinderen de dag erop niet mee te willen geven: “Dan hadden ze vorig jaar meteen moeten komen, toen was het blijkbaar niet nodig en nu na een jaar zonder hulp komen ze ineens wel…”.

Ik ben er direct naartoe gegaan om haar te helpen. Ondanks de zeer problematische en stroeve samenwerking met de GI was de overtuiging, omdat er wel sprake was van opvoedproblemen en kindeigen problematiek, dat er wel enige hulp nodig zou zijn. Samen met de ouders hebben we een plan opgesteld waarbij het doel was de kinderen mee te geven en mee te werken aan de uithuisplaatsing. Hierbij zou vooral de rust bewaard blijven door de kinderen, maar evengoed voor ouders zelf.

Nadat dit plan was besproken en goedgekeurd door de GI is de uithuisplaatsing de volgende dag rustig verlopen, ondanks het verdriet wat dit teweeg brengt. Hierna heb ik in overleg met de GI besproken dat de samenwerking met de huidige jeugdzorgwerker niet langer houdbaar was en voor moeder de voorkeur uitging naar een jeugdzorgwerker die zij eerder heeft gesproken, maar niet eerder betrokken is geweest. Nadat deze jeugdzorgwerker de casus had overgenomen is de samenwerking na enkele bemiddelingsgesprekken met wederzijds respect en vertrouwen tot stand gekomen en is de casus in een stroomversnelling geraakt. De twee kinderen zijn binnen het eerste jaar weer thuis komen wonen, ook is hulpverlening ingezet die moeder als ‘de juiste’ benoemt.

Deze casus is een voorbeeld van hoe een casus valt of staat met het oog op vertrouwen en respect naar alle betrokkenen: Een goede samenwerking voorkomt veel leed, voor zowel de ouders als de hulpverlening.

Een moeder kwam bij ons met de hulpvraag om ondersteund te worden bij gesprekken met de jeugdhulpverlening. Zij voelde zich niet gehoord en was van mening dat omwille haar verleden de hulpverlening met een vooringenomen beeld naar haar keek. De gesprekken met hulpverleners verliepen zeer moeizaam vanwege dat gevoel van wantrouwen. In gesprekken met deze moeder alleen werd opgemerkt dat moeder een goede kijk op haar situatie had maar dat ze wel geholpen moest worden om gericht te antwoorden. Ook in gesprekken met hulpverleners kon ze niet altijd goede antwoorden op vragen geven terwijl ze in één-op-één gesprekken met ons dat na doorvragen wel kon.

Om moeder een goed beeld van haar eigen situatie te geven zodat ze beter kon inspelen op vragen en opmerkingen van hulpverleners hebben we samen met haar het Houvastwerkboek ingevuld (een methodiek om inzicht te geven in gezinssituaties en netwerk vanuit krachten, meer hierover in het jaarjournaal 2017, red.).

Gaandeweg werd het moeder duidelijk dat zij zelf ook een aandeel had in het gecreëerde wantrouwen. Het einddoel was om met een eigen plan richting de hulpverlening te stappen met daarin duidelijk wat moeder zelf nodig heeft en hoe ze dit samen met de betrokken hulpverleners wilde bereiken. De bijvangst was dat moeder zichzelf een spiegel voorhield en inzage kreeg in haar eigen aandeel. Haar houding naar hulpverleners veranderde hierdoor. Toen dit werd opgemerkt door de hulpverlening werd de sfeer in gesprekken minder vijandig. Een betrokken hulpverlener vertelde later dat ze door de andere houding van moeder zelf ook anders naar de situatie ging kijken.

Inmiddels heeft dit onder andere geresulteerd in meer omgang voor de cliënt en meer constructieve gesprekken waarbij de aandacht ligt op vooruitgang, daar waar in het verleden de aandacht meer lag in het ontkrachten van elkaars standpunten.